Tijd dringt voor aanvragen woonhuissubsidie particuliere rijksmonumenten

Bent u eigenaar van een rijksmonument met een woonfunctie? In dat geval kunt u subsidie aanvragen voor de instandhoudingskosten van 2020 bij de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed. U kunt de subsidieaanvraag nog tot en met 30 april indienen. Hiervoor is de factuurdatum bepalend. De subsidie bedraagt 38% van de kosten voor de instandhouding van uw rijksmonument. Wilt u de aanvraag laten indienen door uw adviseur, vul dan samen met hem of haar een machtigingsformulier in.

Ook kosten van werkzaamheden die zijn gericht op het voorkomen van verval of vervolgschade kwalificeren voor de subsidie. Hiertoe worden onder meer gerekend kosten voor schilderwerk, gevelreparaties, herstel van voegen, het vervangen van kapotte dakpannen, het repareren of vervangen van goten en afvoeren en het herstel van scheuren in het buitenpleisterwerk.

Tip

Bedragen de totale kosten waarvoor u subsidie wilt aanvragen meer dan € 70.000? In dat geval moet u een inspectierapport overleggen, dat een deskundige persoon of instantie heeft opgesteld, bijvoorbeeld de Monumentenwacht.

Controleer en corrigeer voor 1 mei a.s. Wtl-beschikkingen

Hebt u de voorlopige berekeningen van het UWV ontvangen? U doet er verstandig aan om deze vóór 1 mei 2021 te (laten) controleren en zonodig te corrigeren. In deze berekeningen van het UWV staat namelijk voor welke werknemers – en tot welk bedrag – u recht hebt op loonkostenvergoedingen (LKV’s), het lage-inkomensvoordeel (LIV) of het jeugd-lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV). Deze berekeningen zijn gebaseerd op de loonaangiften en correcties over 2020, die u tot en met 31 januari 2021 hebt ingediend. Bent u het niet eens met de voorlopige berekening – of wanneer die berekening onjuist is – kunt u uiterlijk tot 1 mei 2021 correcties op de loonaangiften indienen bij de Belastingdienst. Daarna zijn correcties niet meer mogelijk; de voorlopige berekeningen van het LKV, het LIV en het jeugd-LIV zijn dan definitief geworden.

Tip

Was een aanvraag voor een doelgroepverklaring op 31 januari 2021 nog in behandeling? In dat geval staan de LKV’s nog niet in de voorlopige berekening van het UWV. Zodra de doelgroepverklaring is ontvangen, kan de indicatie voor de LKV’s alsnog op ‘ja’ worden gezet. Correcties op de loonaangiften kunt u dan naar de Belastingdienst sturen.

 

Controleer en corrigeer voor 1 mei a.s. Wtl-beschikkingen

Hebt u de voorlopige berekeningen van het UWV ontvangen? U doet er verstandig aan om deze vóór 1 mei 2021 te (laten) controleren en zonodig te corrigeren. In deze berekeningen van het UWV staat namelijk voor welke werknemers – en tot welk bedrag – u recht hebt op loonkostenvergoedingen (LKV’s), het lage-inkomensvoordeel (LIV) of het jeugd-lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV). Deze berekeningen zijn gebaseerd op de loonaangiften en correcties over 2020, die u tot en met 31 januari 2021 hebt ingediend. Bent u het niet eens met de voorlopige berekening – of wanneer die berekening onjuist is – kunt u uiterlijk tot 1 mei 2021 correcties op de loonaangiften indienen bij de Belastingdienst. Daarna zijn correcties niet meer mogelijk; de voorlopige berekeningen van het LKV, het LIV en het jeugd-LIV zijn dan definitief geworden.

Tip

Was een aanvraag voor een doelgroepverklaring op 31 januari 2021 nog in behandeling? In dat geval staan de LKV’s nog niet in de voorlopige berekening van het UWV. Zodra de doelgroepverklaring is ontvangen, kan de indicatie voor de LKV’s alsnog op ‘ja’ worden gezet. Correcties op de loonaangiften kunt u dan naar de Belastingdienst sturen.

 

Loket ‘NL leert door’ open tot 26 april 2021

Het loket voor de derde subsidieronde in het kader van ‘NL leert door’: ‘NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk’ is nog tot 26 april 17:00 uur open. Sectorale samenwerkingsverbanden van werkgevers-, werknemersorganisaties en andere betrokken partijen kunnen een subsidieverzoek indienen voor behoud van werk of het vinden van ander werk voor werkenden. De subsidie wordt verleend voor een ontwikkeladvies, scholing, een EVC-procedure of begeleiding naar ander werk. Met deze subsidiabele activiteiten kunnen maatwerktrajecten worden opgezet. De derde subsidieronde in het kader van ‘NL leert door’ wordt uitgevoerd door Uitvoering van Beleid (UVB). Zij beslist binnen dertien weken op de subsidieaanvraag.

Tip

Wilt u gebruikmaken van deze subsidiekans? Zorg er dan voor dat de aanvraag uiterlijk 26 april a.s. is ingediend.

Loket ‘NL leert door’ open tot 26 april 2021

Het loket voor de derde subsidieronde in het kader van ‘NL leert door’: ‘NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk’ is nog tot 26 april 17:00 uur open. Sectorale samenwerkingsverbanden van werkgevers-, werknemersorganisaties en andere betrokken partijen kunnen een subsidieverzoek indienen voor behoud van werk of het vinden van ander werk voor werkenden. De subsidie wordt verleend voor een ontwikkeladvies, scholing, een EVC-procedure of begeleiding naar ander werk. Met deze subsidiabele activiteiten kunnen maatwerktrajecten worden opgezet. De derde subsidieronde in het kader van ‘NL leert door’ wordt uitgevoerd door Uitvoering van Beleid (UVB). Zij beslist binnen dertien weken op de subsidieaanvraag.

Tip

Wilt u gebruikmaken van deze subsidiekans? Zorg er dan voor dat de aanvraag uiterlijk 26 april a.s. is ingediend.

Voorkom belastingrente: vraag tijdig voorlopige Vpb-aanslagen aan

Moet uw bv over 2020 vennootschapsbelasting betalen? Dien dan vóór 1 mei 2021 een verzoek in om uitreiking van een voorlopige aanslag of een herziening van een al opgelegde aanslag. Zo voorkomt u dat uw bv achteraf belastingrente (4% in 2021) moet betalen. Is het verzoek binnen vier maanden na afloop van het belastingjaar namelijk ingediend en komt de voorlopige aanslag overeen met het bedrag waar u om verzocht? Dan hoeft uw bv geen belastingrente te betalen. Doet u geen verzoek voor de aanslag vennootschapsbelasting 2020, dan wordt er in beginsel vanaf 1 juli 2021 belastingrente berekend over de te betalen aanslag.

Tip

Voorkom dat uw bv vanaf 1 juli a.s. belastingrente moet gaan betalen door vóór 1 mei 2021 een voorlopige aanslag of een herziening van een opgelegde aanslag aan te vragen.

Voorkom belastingrente: vraag tijdig voorlopige Vpb-aanslagen aan

Moet uw bv over 2020 vennootschapsbelasting betalen? Dien dan vóór 1 mei 2021 een verzoek in om uitreiking van een voorlopige aanslag of een herziening van een al opgelegde aanslag. Zo voorkomt u dat uw bv achteraf belastingrente (4% in 2021) moet betalen. Is het verzoek binnen vier maanden na afloop van het belastingjaar namelijk ingediend en komt de voorlopige aanslag overeen met het bedrag waar u om verzocht? Dan hoeft uw bv geen belastingrente te betalen. Doet u geen verzoek voor de aanslag vennootschapsbelasting 2020, dan wordt er in beginsel vanaf 1 juli 2021 belastingrente berekend over de te betalen aanslag.

Tip

Voorkom dat uw bv vanaf 1 juli a.s. belastingrente moet gaan betalen door vóór 1 mei 2021 een voorlopige aanslag of een herziening van een opgelegde aanslag aan te vragen.

Werknemer moet zakelijke ritten bewijzen

Een medewerker rijdt in een auto van de zaak. Hij heeft een Verklaring geen privégebruik ingediend. Daarom houdt de werkgever over de waarde van de auto geen loonheffing in. De Belastingdienst vraagt de kilometeradministratie op. Die maakt de medewerker achteraf op. Deze voldoet niet aan de eisen en naheffing volgt. De rechter komt eraan te pas.

Overwegingen rechter
De rechtbank overweegt dat de medewerker vrij is in de keuze voor zijn bewijsmiddelen om te doen blijken dat hij de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Een rittenregistratie dient niet bij voorbaat te worden verworpen indien deze niet aan alle vereisten voldoet. Maar een rittenregistratie in combinatie met andere bewijsmiddelen moet wel ten minste zodanig sluitend zijn dat daaruit eenduidig kan worden afgeleid hoeveel kilometers er met de auto’s zakelijk en privé zijn gereden.

In dit geval bevat de achteraf gereconstrueerde rittenregistratie te veel onnauwkeurigheden. Zo heeft de medewerker het zakelijk karakter van ritten op feestdagen niet aangetoond, heeft hij niet per rit de werkelijke begin- en eindstand van de kilometerteller genoteerd en komen de kilometerstanden uit de rittenopgave niet overeen met de kilometertellerstanden van de garages. Bovendien heeft de medewerker voor veel voorkomende ritten steeds een gelijk aantal kilometers opgegeven, terwijl hij zelf heeft verklaard dat de verkeerssituatie niet altijd gelijk is.

Dat de medewerker in privé beschikt over een auto en een motor, kan hem niet baten. Dit sluit immers niet uit dat (ook) met de auto van de zaak meer dan 500 kilometer per jaar in privé wordt gereden.

De medewerker beweert nog dat hij niet wist dat hij zo nauwkeurig moest zijn en dat het vrijwel onmogelijk is om achteraf nog precies na te gaan hoeveel kilometers hij heeft gereden. Dat komt voor zijn rekening en risico. Hij wilde immers gebruik maken van een belastingvoordeel en had zich moeten verdiepen in de voorwaarden.

Oordeel rechter
De rechter is van oordeel dat, nu de medewerker niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, ten onrechte geen loonheffing is ingehouden en afgedragen op basis van het autokostenforfait, de zogenaamde bijtelling. Dat brengt mee dat de werkgever te weinig loonheffing heeft betaald. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd.

Let op: In de begeleidende brief bij de Verklaring geen privégebruik staat niet voor niets: u moet altijd overtuigend kunnen bewijzen dat u met de auto van uw werkgever niet meer dan 500 privékilometers op jaarbasis rijdt. Dat kan bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie.

Aftrek kosten advocaat echtscheiding

In het kader van zijn echtscheiding heeft een man diverse procedures gevoerd tegen zijn ex. Alleen al voor procedures over partneralimentatie heeft hij € 30.000 advocaatkosten gemaakt. Een en ander heeft geresulteerd in een overeenkomst: over en weer zullen de ex-partners geen alimentatie verschuldigd zijn. Zijn de advocaatkosten aftrekbaar?

Kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van partneralimentatie zijn aftrekbaar,  als daadwerkelijk alimentatie wordt verkregen. Maar is dat ook zo als vast staat dat de man geen alimentatie van zijn ex-echtgenote heeft ontvangen?

Standpunt man
De man stelt dat zijn advocaatkosten zijn gemaakt ter verwerving van alimentatie van zijn ex-echtgenote. Hij had namelijk in de procedures, nadat zij in eerste aanleg alimentatie van hem had gevorderd, in verweer van zijn ex-echtgenote alimentatie gevorderd. Dat pas later, door het sluiten van de overeenkomst, is komen vast te staan dat belanghebbende geen alimentatie van zijn ex-echtgenote heeft ontvangen, doet daar niet aan af. Voor aftrek van advocaatkosten is volgens belanghebbende niet vereist dat de procedure succesvol moet worden afgerond.

Standpunt Belastingdienst
Uit de stukken valt niet af te leiden dat sprake is van een wederzijdse alimentatievordering. De man is niet een procedure gestart ter verkrijging van alimentatie. De procedures gaan over de door de ex-echtgenote gevorderde alimentatie.

Oordeel rechter
De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de advocaatkosten heeft gemaakt tot verwerving, inning en behoud van alimentatie. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende alimentatie heeft gevorderd van zijn ex-echtgenote. De omstandigheid dat iemand (in theorie) aanspraak op alimentatie zou kunnen maken, is onvoldoende om het bestaan van een alimentatievordering aan te nemen. De advocaatkosten zijn niet aftrekbaar.

Let op: Advocaatkosten tot verwerving, inning of behoud  van partneralimentatie zijn aftrekbaar. Maar het moet wel gaan om een reële vordering van partneralimentatie.

Werkgever niet aansprakelijk voor bedrijfsongeval

Een steigerbouwer in loondienst kreeg opdracht om steigermateriaal van de derde verdieping van een fabriekshal naar de begane grond te transporteren. Daarvoor heeft hij niet de lift, maar tegen de instructies in de hijskraan gebruikt. Hij raakt daarbij gewond en stelt de werkgever aansprakelijk.

Bewijslastverdeling aansprakelijkheid
De rechter geeft een samenvatting van de rechtspraak rond aansprakelijkheid bij bedrijfsongevallen.

De werknemer dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen.

Als vast staat dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven.

Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen indien hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Van bewust roekeloos handelen is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.

Beoordelingskader
Beoordeeld moet worden of de werkgever de op hem rustende zorgplicht jegens de steigerbouwer is nagekomen. Daarbij wordt vooropgesteld dat hij als werkgever die maatregelen moet nemen en die aanwijzingen moet geven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Van een werkgever mag worden verlangd dat hij een hoge mate van zorg betracht, maar die vindt zijn grens in hetgeen redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Voor de omvang van de zorgplicht geldt als uitgangspunt hetgeen op grond van regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden van de werkgever wordt verwacht. De reikwijdte van deze zorgplicht wordt daarnaast bepaald door het ongeschreven recht. Het antwoord op de vraag of de werkgever zijn zorgplicht is nagekomen, is afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten oplettendheid van de werknemer en de bezwaarlijkheid van het nemen van maatregelen.

Toetsing in dit geval
Het ongeval is gebeurd, nadat de steigerbouwer van de hijskraan gebruik had gemaakt. Hij wist dat voor het gebruik van een hijskraan een hijscertificaat verplicht is en dat hij niet over dat certificaat beschikte.

De werkgever heeft de steigerbouwer op zijn eerste werkdag bij deze locatie een Veilig Werk Verklaring Steigerbouw uitgelegd en laten ondertekenen. In deze verklaring staat dat de steigerbouwer niet onbevoegd taken zal uitvoeren of bedrijfsinstallaties, machines en werktuigen zal bedienen. Op de nakoming is tussentijds ook toezicht gehouden.

De werkgever hoefde, om ongeoorloofd gebruik te voorkomen, de hijskraan niet onbruikbaar te maken of uit te zetten of de afstandsbediening uit te zetten. Dat zou bovendien praktisch gezien onmogelijk zijn, omdat deze door veel andere werknemers met hijscertificaat doorlopend werd gebruikt.

De werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht en is niet aansprakelijk voor het bedrijfsongeval.

Let op: Als vast staat dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. De zorgplicht omvat instructie en daadwerkelijk toezicht op naleving.