Veiligheidsmanager valt: werkgever aansprakelijk?

Een ervaren projectleider, belast met toezicht op de veiligheid, valt door het dak van een loods doordat de valbeveiliging niet was aangebracht. Hij overlijdt. Zijn weduwe stelt de directeur van de inmiddels failliete werkgever persoonlijk aansprakelijk voor de schade. Hoe oordeelt de rechter?

Toezicht op veiligheidsfunctionaris
De rechter realiseert zich dat juist degene die op het project moest toezien op de veiligheid zelf het slachtoffer is geworden. De vraag is of en in hoeverre een werkgever moet toezien op de wijze waarop de veiligheidsfunctionaris zijn werkzaamheden uitvoert. In dit geval staat vast, gezien een onderzoek door de Arbeidsinspectie naar het ongeval, dat de werkgever is tekortgeschoten in de controle op die uitvoering. Daarmee heeft de werkgever niet aan zijn wettelijke zorgplicht voldaan. Maar de werkgever is inmiddels failliet.

Persoonlijke aansprakelijkheid directeur
Is de directeur zelf aansprakelijk op grond van een aan hem te maken ernstig verwijt wegens schending door werkgever van diens zorgplicht?

Van een werkgever, die zijn werknemers risicovolle werkzaamheden laat verrichten, mag worden verwacht dat hij een deugdelijke aansprakelijkheidsverzekering afsluit. Daarmee wordt een dekkingsvoorziening getroffen voor het geval een risico zich verwezenlijkt en werkgever – bijvoorbeeld als gevolg van een faillissement – niet zelf kan voldoen aan zijn verplichting tot vergoeding van de schade.

In dit geval heeft de werkgever de premies aan de verzekeringsmaatschappij niet tijdig betaald, met als gevolg dat de dekking is opgeschort. Dit levert volgens de rechter een ernstig persoonlijk verwijt aan de directeur op. Daarom is hij persoonlijk aansprakelijk voor de schade van de weduwe. De rechter acht het aannemelijk dat de weduwe tot in elk geval een bedrag van € 10.000 schade heeft geleden en wijst dat bedrag toe als voorschot. Er komt een vervolgprocedure waarin de totale schade wordt vastgesteld.

Let op: U kunt als directeur van een werkgever persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor verplichtingen van die werkgever, als die werkgever daar door uw – achteraf verwijtbare – handelen, niet zelf aan kan voldoen.   

Verbouwing kantoorpand tot appartementen

Een ondernemer koopt met drie andere participanten een pand. Een deel financiert hij met een banklening. Ze laten een aannemer het pand verbouwen tot zestien appartementen. Ook vragen en krijgen ze een subsidie voor verbouwing van kantoorruimte naar woningen. De appartementen worden met winst verkocht, maar de ondernemer geeft de winst niet aan als inkomen in zijn aangifte inkomstenbelasting. Terecht?

Samenwerkingsverband
Volgens de rechter hebben partijen een transparant samenwerkingsverband gesloten. Het doel van dit samenwerkingsverband was het behalen van voordeel door het pand te ontwikkelen tot appartementen. Dit voordeel was ook redelijkerwijs te verwachten. De projectontwikkeling binnen dit samenwerkingsverband vormt een onderneming.

Duurzaamheid
Het was de bedoeling de projectontwikkeling binnen een bepaalde termijn af te ronden. Er waren geen concrete plannen om naast dit ontwikkelingsproject andere projecten aan te gaan. Dit betekent echter niet dat de voor een onderneming vereiste duurzaamheid ontbreekt. De tijd gemoeid met dit project, te weten enkele jaren, en 4 jaar tot de laatste subsidies werden uitbetaald, maakt dat dit ontwikkelingsproject voldoende duurzaamheid bezat om als onderneming aangemerkt te worden.

Nauwelijks eigen werkzaamheden
De werkzaamheden van de participanten gingen niet verder dan het inschatten van de kwade en goede kansen van het project en het zetten van handtekeningen. Toch merkt de rechter het aangaan van koop- en verkoopovereenkomsten, een aanneemovereenkomst en het aanvragen van een omgevingsvergunning en subsidies aan als beheersdaden binnen dit samenwerkingsverband.

Winst uit onderneming
Het zijn in ieder geval werkzaamheden die normaal actief vermogensbeheer te boven gaan. De participanten waren gerechtigd tot een aandeel in de winst die behaald werd met de onderneming van dit samenwerkingsverband. Het behaalde voordeel is belastbaar als winst uit onderneming.

Let op: Projectontwikkeling kan leiden tot fiscaal ondernemerschap, ook al worden de feitelijke werkzaamheden geheel uitbesteed.

Aanzegvergoeding onredelijk?

Een magazijnbeheerster heeft een tijdelijk contract dat met een jaar wordt verlengd tot 1 april 2019. In de herfst van 2018 hoort ze van de directeur dat haar contract om financiële redenen na 31 maart 2019 niet verlengd zal worden. Ze gaat solliciteren en krijgt waarschijnlijk per 1 april 2019 elders een nieuwe baan. Toch claimt ze de wettelijke aanzegvergoeding. Kan dat, of is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

Op advies van de FNV vraagt ze de directeur op 29 maart of ze per 1 april nog moet komen werken. Die laat haar een door hem getekende brief van 2 januari zien waarin staat dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en van rechtswege per 31 maart 2019 zal eindigen. Ze heeft de datum op de brief (2 januari 2019) doorgestreept en met de hand daaronder de datum 31 maart 2019 geschreven. De werkgever kan niet bewijzen dat ze de brief eerder heeft ontvangen.

Claim
Op 30 april 2019 claimt ze bijna € 2.900 bruto aan wettelijke aanzegvergoeding. De werkgever reageert dat hij die niet gaat betalen omdat ze ervan op de hoogte was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Ze gaat naar de rechter.

Kantonrechter
Volgens de wet had de werkgever haar, op straffe van een aanzegvergoeding, minimaal één maand voor het aflopen van de arbeidsovereenkomst schriftelijk moeten laten weten of, en zo ja tegen welke voorwaarden, zij een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden zou krijgen. Dat is niet gebeurd. De kantonrechter geeft haar ongelijk omdat toekenning van de aanzegvergoeding in deze situatie in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Ze gaat in hoger beroep.

Hoger beroep bij gerechtshof
De werkgever betoogt – en de kantonrechter heeft dit gevolgd – dat de verplichte aanzegging in dit geval niet aan de doelstelling van het wetsartikel kan beantwoorden en dat een vergoeding op grond van het wetsartikel daarom in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Deze specifieke omstandigheden zijn: (1) het feit dat de werkneemster in de herfst van 2018 mondeling is geïnformeerd dat haar contract om financiële redenen niet verlengd kan worden, hetgeen zij heeft erkend, (2) zij is gaan solliciteren naar een andere baan en (3) zij bij het einde van de arbeidsovereenkomst concreet zicht had op een nieuwe baan in die zin dat alleen het arbeidsvoorwaardengesprek en de medische keuring nog moesten plaatsvinden.

Het gerechtshof acht het niet onredelijk dat de werkneemster recht heeft op de aanzegvergoeding.

Als de rechter al mag afwijken van het dwingendrechtelijk voorgeschreven schriftelijkheidsvereiste, omdat het naleven ervan geen enkel doel kan dienen waartoe het artikel in het leven is geroepen, is daarvan naar het oordeel van het gerechtshof in dit geval geen sprake.

Onduidelijkheid
Bij het bedrijf waren meer ontslagen, maar een van de monteurs mocht toch blijven. Een andere magazijnmedewerkster kondigde haar vertrek aan. Zo kon bij de werkneemster de verwachting ontstaan dat zij zelf alsnog zou mogen blijven. Er was dus ruimte voor discussie rond de vraag of de werkneemster in de maand voorafgaand aan het einde van haar dienstverband precies wist waar ze aan toe was. Daarom kan niet worden vastgesteld dat een schriftelijke aanzegging in dit geval geen enkel doel zou hebben gediend. Het dwingend voorgeschreven vereiste van schriftelijkheid is immers juist bedoeld om mogelijke discussie achteraf te voorkomen.

Aanzegbrief ontvangen?
Vaststaat dat de brief van 2 januari waar de werkgever op 29 maart mee komt, niet aangetekend is verzonden. De werkneemster heeft betwist de brief van 2 januari 2019 op haar adres te hebben ontvangen. Dit betekent dat de werkgever dient te bewijzen dat de brief is aangekomen op haar adres. Daarin slaagt de werkgever niet.

Sollicitatie, dus aanzegbrief ontvangen?
Heeft de werkneemster ernaar gehandeld alsof ze begin januari 2019, dus tijdig, een aanzegbrief had ontvangen en heeft de werkgever daarop gerechtvaardigd mogen vertrouwen? Neen, uit het enkele feit dat de werkneemster een sollicitatieprocedure had lopen, mocht de werkgever dat niet afleiden, nu hij zelf in de herfst van 2018 mondeling heeft medegedeeld dat haar contract niet verlengd zou worden, zodat haar handelen evengoed op deze mededeling kan zijn gebaseerd.

Tip: De wet is duidelijk, en wordt door rechters strikt toegepast. De werkgever is verplicht, bij een tijdelijk contract van 6 maanden of langer, uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Bij niet nakoming van deze verplichting is de werkgever een vergoeding aan de werknemer verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand.

Langer versoepelde fiscale regels tijdens betaalpauze hypotheek

Sinds de uitbraak van de coronacrisis gelden er versoepelde fiscale regels in het geval u een betaalpauze voor rente en aflossing hebt afgesproken met uw bank of andere hypotheekverstrekker. Onlangs is de werking van deze versoepelde regels verlengd tot 31 december 2020 in verband met de aanhoudende coronacrisis. Daarnaast is de maximale duur van de betaalpauze verlengd van maximaal zes naar twaalf maanden. De betaalpauze moet aan de volgende drie voorwaarden voldoen om de versoepelde fiscale regels te mogen toepassen:

  1. u hebt in de periode 12 maart 2020 tot en met 31 december 2020 bij uw geldverstrekker gemeld dat u (dreigende) betalingsproblemen hebt door de uitbraak van het coronavirus;
  2. u en uw geldverstrekker zijn daarom een betaalpauze overeengekomen, die uiterlijk op 1 januari 2021 ingaat en die schriftelijk door de geldverstrekker wordt bevestigd;
  3. de looptijd van de betaalpauze bedraagt maximaal twaalf maanden.

Let op

Leent u van een niet-administratieplichtige – bijvoorbeeld familie of uw eigen bv – dan gelden aanvullende voorwaarden. Uw adviseur kan u daarover informeren.

Langer versoepelde fiscale regels tijdens betaalpauze hypotheek

Sinds de uitbraak van de coronacrisis gelden er versoepelde fiscale regels in het geval u een betaalpauze voor rente en aflossing hebt afgesproken met uw bank of andere hypotheekverstrekker. Onlangs is de werking van deze versoepelde regels verlengd tot 31 december 2020 in verband met de aanhoudende coronacrisis. Daarnaast is de maximale duur van de betaalpauze verlengd van maximaal zes naar twaalf maanden. De betaalpauze moet aan de volgende drie voorwaarden voldoen om de versoepelde fiscale regels te mogen toepassen:

  1. u hebt in de periode 12 maart 2020 tot en met 31 december 2020 bij uw geldverstrekker gemeld dat u (dreigende) betalingsproblemen hebt door de uitbraak van het coronavirus;
  2. u en uw geldverstrekker zijn daarom een betaalpauze overeengekomen, die uiterlijk op 1 januari 2021 ingaat en die schriftelijk door de geldverstrekker wordt bevestigd;
  3. de looptijd van de betaalpauze bedraagt maximaal twaalf maanden.

Let op

Leent u van een niet-administratieplichtige – bijvoorbeeld familie of uw eigen bv – dan gelden aanvullende voorwaarden. Uw adviseur kan u daarover informeren.

Tijd dringt voor TVL-aanvraag eerste periode

De TVL-regeling is onlangs met negen maanden verlengd. Maar wilt u nog de TVL van maximaal € 50.000 aanvragen voor de eerste periode (juni tot en met september 2020), dan begint de tijd te dringen. Uiterlijk 30 oktober 2020 17:00 uur moet de aanvraag dan namelijk zijn ingediend.

Sinds 1 september jl. kunt u de TVL-aanvraag ook uitbesteden aan uw adviseur. Daarvoor moet u hem/haar wel eerst een ketenmachtiging geven om veilig de TVL-aanvraag voor u te kunnen doen. Informatie over de ketenmachtiging vindt u op eHerkenning.nl.

Op rvo.nl vindt u een formulier waarmee u de aanvraag kunt doen. Binnen acht weken volgt een beslissing. Als de subsidie wordt verleend, wordt er een eenmalig voorschot van 80% uitgekeerd. De vaststelling van de subsidie moet u vervolgens vóór 1 april 2021 aanvragen bij rvo.nl/tvl.

Tijd dringt voor TVL-aanvraag eerste periode

De TVL-regeling is onlangs met negen maanden verlengd. Maar wilt u nog de TVL van maximaal € 50.000 aanvragen voor de eerste periode (juni tot en met september 2020), dan begint de tijd te dringen. Uiterlijk 30 oktober 2020 17:00 uur moet de aanvraag dan namelijk zijn ingediend.

Sinds 1 september jl. kunt u de TVL-aanvraag ook uitbesteden aan uw adviseur. Daarvoor moet u hem/haar wel eerst een ketenmachtiging geven om veilig de TVL-aanvraag voor u te kunnen doen. Informatie over de ketenmachtiging vindt u op eHerkenning.nl.

Op rvo.nl vindt u een formulier waarmee u de aanvraag kunt doen. Binnen acht weken volgt een beslissing. Als de subsidie wordt verleend, wordt er een eenmalig voorschot van 80% uitgekeerd. De vaststelling van de subsidie moet u vervolgens vóór 1 april 2021 aanvragen bij rvo.nl/tvl.

Vraag vóór 1 november aanslag aan en verlaag uw box-3-grondslag

Bepaalde belastingschulden verminderen niet de rendementsgrondslag van box 3. Dit kunt u omzeilen door een voorlopige aanslag aan te vragen en deze voor het einde van het jaar te betalen. Op de peildatum van box 3 (1 januari) heeft het bedrag van de aanslag zo toch de box-3-grondslag verminderd. Maar deze vlieger gaat niet op als de inspecteur de aanslag niet tijdig oplegt, waardoor u niet voor het einde van het jaar kunt betalen. Dat vindt de staatssecretaris niet rechtvaardig. Hij keurt daarom goed dat als u vóór 1 november van het jaar schriftelijk om een (nadere) voorlopige aanslag hebt verzocht, de desbetreffende belastingschuld al per 1 januari van het volgende jaar (peildatum) als betaald wordt beschouwd bij de berekening van de box-3-grondslag. Dus ook als u de aanslag nog niet heeft betaald.

Vraag vóór 1 november aanslag aan en verlaag uw box-3-grondslag

Bepaalde belastingschulden verminderen niet de rendementsgrondslag van box 3. Dit kunt u omzeilen door een voorlopige aanslag aan te vragen en deze voor het einde van het jaar te betalen. Op de peildatum van box 3 (1 januari) heeft het bedrag van de aanslag zo toch de box-3-grondslag verminderd. Maar deze vlieger gaat niet op als de inspecteur de aanslag niet tijdig oplegt, waardoor u niet voor het einde van het jaar kunt betalen. Dat vindt de staatssecretaris niet rechtvaardig. Hij keurt daarom goed dat als u vóór 1 november van het jaar schriftelijk om een (nadere) voorlopige aanslag hebt verzocht, de desbetreffende belastingschuld al per 1 januari van het volgende jaar (peildatum) als betaald wordt beschouwd bij de berekening van de box-3-grondslag. Dus ook als u de aanslag nog niet heeft betaald.

Einde uitstel publicatieplicht anbi-gegevens 2019 nadert

Algemeen nut beogende instellingen (anbi’s) kregen vanwege de coronacrisis maximaal vier maanden langer de tijd om de jaarstukken over 2019 elektronisch te publiceren. Een anbi met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar heeft hiervoor dus uitstel gekregen tot uiterlijk 1 november 2020. Daar zijn wel twee voorwaarden aan verbonden. Het bestuur van de anbi moest uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar het bestuursbesluit tot verlenging van de publicatieplicht op de website hebben gepubliceerd. Daarnaast moet uit het bestuursbesluit blijken waarom de financiële gegevens over 2019 niet binnen de gebruikelijke 6-maandstermijn konden worden gepubliceerd. Een anbi die haar jaarcijfers niet tijdig publiceert, loopt het risico de anbi-status met terugwerkende kracht te verliezen. Hierdoor vervallen de fiscale faciliteiten voor de anbi én haar begunstigers. Zorg dus dat de jaarcijfers 2019 tijdig worden gepubliceerd.