Voorkom bijbetaling vennootschapsbelasting

Laat een reële inschatting maken van de vennootschapsbelasting die u in 2020 verschuldigd zult zijn, zodat uw bv niet een te lage voorlopige aanslag voor de vennootschapsbelasting krijgt opgelegd. Zo voorkomt u het risico dat de bv na afloop van het jaar 8% belastingrente in rekening gebracht krijgt, omdat zij vennootschapsbelasting blijkt te moeten bijbetalen.

Het is bovendien verstandig om te laten controleren of uw bv over 2019 voldoende vennootschapsbelasting heeft betaald. Misschien heeft uw bv het beter gedaan dan u begin 2019 had verwacht en is de winst van uw bv hoger. Laat dan verzoeken om een aanvullende voorlopige aanslag.

Leg afzien van aanbod vaste uren vast

Heeft u de oproepkracht tijdig een aanbod voor vaste uren gedaan? De oproepkracht heeft dan een maand om op uw aanbod te reageren, maar hoeft uw aanbod niet te accepteren. Hij of zij kan er dus voor kiezen om flexibel te blijven werken. Het is wel verstandig om dit schriftelijk vast te leggen. Een werknemer kan dan niet achteraf stellen dat hij of zij nooit heeft afgezien van uw aanbod en dus recht heeft op het loon voor de vaste uren.

Bied uw oproepkrachten tijdig vaste uren aan

Had u op 31 december 2019 oproepkrachten die 12 maanden of langer bij u werkten en blijft u ook in 2020 met hen samenwerken? U moet hen dan vóór 1 februari a.s. een aanbod doen voor een vast aantal uren gebaseerd op het gemiddelde van de afgelopen 12 maanden. Kortom, het aantal uren in 2019 is hiervoor dan bepalend. Inventariseer daarom de oproepkrachten van wie het contract eind 2019 twaalf maanden of langer heeft geduurd, zodat u het aanbod tijdig kunt doen. Doet u dat niet, dan loopt u het risico van een loonvordering over de uren die u had moeten aanbieden, maar waarvan u dat niet of niet tijdig hebt gedaan. De oproepkracht kan dit loon met terugwerkende kracht vorderen en hierover tot maar liefst 50% wettelijke verhoging eisen!

Zijn er oproepkrachten die in de loop van het jaar 12 maanden bij u werkzaam zijn, dan moet u hen een aanbod voor vaste uren doen binnen 1 maand na afloop van deze periode.

Passieve voorzitter stichting aansprakelijk

Een voorzitter van een stichting wordt door de Belastingdienst aansprakelijk gesteld voor ruim € 117.000 loonbelasting die door de stichting niet is afgedragen. Als voorzitter was hij gezamenlijk met de andere bestuurders bevoegd. Er was ook een directeur met algemene volmacht. Een melding betalingsonmacht is niet gedaan. Invordering van de belastingschuld bij de stichting zelf heeft geen resultaat opgeleverd. De voorzitter verweert zich bij de rechter.

Hoofdelijk aansprakelijk
De rechter stelt voorop dat ieder van de bestuurders van een lichaam hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting verschuldigd door dat lichaam. Dus ook de voorzitter.

Melding betalingsonmacht
Het lichaam moet onverwijld nadat gebleken is dat het de loonbelasting niet kan betalen, daarvan mededeling doen aan de ontvanger. Er is in dit geval geen melding betalingsonmacht gedaan. Dan is een bestuurder aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet heeft gemeld.

Voorzitter blijft te passief
De voorzitter voert aan dat hij aan de directeur van de stichting meermalen inzage heeft gevraagd in de gang van zaken rond de Stichting waaronder de financiële administratie, maar dat hij steeds werd gerustgesteld met de mededeling dat alles goed ging. Na signalen dat het toch niet goed ging, heeft de voorzitter geadviseerd een manager en een accountant in dienst te nemen. Dat heeft de directeur niet gedaan.

Volgens de rechter betekent het aanvaarden van de functie van bestuurder van een Stichting dat men moet handelen als redelijk handelend bestuurder. En daarvan was hier geen sprake.

De voorzitter wist niet wie de financiële zaken van de Stichting regelde. Ook wist hij niet wie de boekhouding deed. Evenmin wist hij hoeveel personeel er in dienst was en wie werd aangenomen of ontslagen. Tijdens zijn voorzitterschap is hij nooit op het kantoor van de Stichting geweest. Hij zat  vaak in het buitenland en nam genoegen met globale mondelinge informatie van de directeur, zelfs nadat duidelijk werd dat deze informatie onjuist was. De voorzitter heeft zorg geuit en adviezen gegeven, maar zijn bevoegdheden niet gebruikt om deze veranderingen te stimuleren of om de directeur te dwingen hem correct te informeren. De voorzitter heeft vanaf het begin de keuze gemaakt zich als bestuurder nagenoeg volledig afzijdig te houden.

Dit betekent dat de voorzitter zich niet kan verschuilen achter de directeur, met hem gemaakte afspraken en diens eventuele kwade bedoelingen. De afzijdige houding van de voorzitter heeft eventuele kwade intenties van de directeur juist mogelijk gemaakt.

Daarom is de voorzitter terecht aansprakelijk gesteld voor de loonbelasting.

Andere bestuurders niet aansprakelijk gesteld
De voorzitter voert nog aan dat het onevenredig en willekeurig is, dat alleen hij en niet andere bestuurders aansprakelijk zijn gesteld. Maar volgens de Belastingdienst zijn de andere bestuurders niet aansprakelijk gesteld omdat zij geen verhaal leken te kunnen bieden. De rechter gaat hierin mee. Wel heeft de voorzitter de Belastingdienst getipt dat een van de bestuurders vermogen in het buitenland zou hebben. Hier wordt onderzoek naar gedaan. Als blijkt dat ook die bestuurder verhaal biedt, zal hij zeker aansprakelijk worden gesteld.

Let op: Bestuurder worden van een stichting kan een vriendendienst zijn, of een persoonlijke bijdrage aan een ideëel doel van de stichting. Op basis van de wet bent u echter medeverantwoordelijk en riskeert u persoonlijke aansprakelijkheid.

Hypotheekrente na echtscheiding niet aftrekbaar

Man en vrouw bezitten sinds 1997 ieder voor 50% een eigen woning met een destijds afgesloten aflossingsvrije hypotheek. Ze gaan uit elkaar en spreken in 2015 af dat de woning met hypotheek per peildatum 1 januari 2014 aan de vrouw wordt toebedeeld onder betaling van een uitkoopsom aan de man. In haar aangifte 2016 neemt ze 100% van de waarde van de woning en de hypotheekschuld op. De juridische overdracht vindt plaats in 2017. De Belastingdienst corrigeert de aangifte 2016.

De rechter komt eraan te pas. Die stelt vast dat de gehele woning in 2016 voor mevrouw een eigen woning vormt. Ook stelt de rechter vast dat mevrouw haar ex-partner begin 2017 heeft uitgekocht, waarbij de ex-partner door de hypotheekverstrekker is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Twee schulden
De hypotheekschuld staat sinds begin 2017 geheel op naam van mevrouw en is opgebouwd uit twee delen: (1) de schuld die reeds aan haar toekwam, de helft van de bestaande hypotheekschuld en (2) het deel van de schuld dat ziet op het uitkopen van de ex-partner. Het deel van de schuld genoemd onder (1) is aflossingsvrij, het deel genoemd onder (2) betreft een annuïtaire aflossingsvorm waarbij de schuld in dertig jaar geheel wordt afgelost.

Aflossingseis
Maar, de rechtszaak gaat over de aangifte 2016. Sinds begin 2013 staat in de wet de zogenaamde aflossingseis. Hypotheekrente is alleen aftrekbaar als in de leningsvoorwaarden een verplichte aflossing, tenminste annuïtair over maximaal 360 maanden, is overeengekomen. Deze eis geldt niet voor schulden die op 1 januari 2013 al bestaan.

De hypotheek is in 1997 afgesloten en geheel aflossingsvrij. Deze gaat mevrouw voor de helft aan. Voor deze helft is, omdat de schuld voor 1 januari 2013 al bestond, de rente-aftrek niet in discussie.

Nieuw aflossingsvrij deel
Maar mevrouw heeft na 1 januari 2013 een nieuwe schuld op zich genomen, het aandeel van haar man in de oorspronkelijke schuld. Deze schuld voldoet in 2016 (nog) niet aan de aflossingseis. De formaliteiten rond het wijzigen van de hypotheek (het overzetten van de gehele hypotheek op naam van mevrouw, het ontslaan van de ex-partner uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en het wijzigen van het voorheen aan de ex-partner toekomende deel van de hypotheekschuld van de aflossingsvrije vorm in een in 360 maanden annuïtair af te lossen hypotheek) hebben immers pas in januari 2017 plaatsgevonden. Daarom heeft mevrouw in 2016 slechts recht op aftrek van 50% van de hypotheekrente.

Tip: De fiscale regels rond echtscheiding zijn zeer gecompliceerd, zeker als er een eigen woning met hypotheekschuld in het spel is. Tijdig advies is raadzaam. We helpen u graag.

Correctie inkomen DGA

Een dame start als directeur van een nieuwe BV. Om de BV op weg te helpen, gaat ze aan de slag op basis van een kostenvergoeding. Bij goed beleid krijgt ze 10% van het resultaat als bonus. Ze heeft 5% van de aandelen. De winst van de BV is circa € 27.500. Ze ontvangt geen bonus, maar wel een kostenvergoeding van in totaal € 1.830. De Belastingdienst verhoogt haar inkomen met € 27.500.

Omdat ze 5% van de aandelen heeft en voor de BV werkt, valt ze onder de gebruikelijk loonregeling. Dat geldt ook als haar werkzaamheden minimaal zijn. De rechter is het hiermee eens.

Het loon van mevrouw wordt op basis van de wet gesteld op ten minste het hoogste van de volgende drie bedragen, (1) 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, (2) het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van de BV of daarmee verbonden lichamen, (3) € 44.000 euro. Dit laatste bedrag is in 2020 overigens € 46.000. Omdat de vrouw pas op 18 mei van het jaar begon bij de BV, wordt genoemde € 44.000 euro gecorrigeerd naar een bedrag naar rato: € 27.500.

Aangezien de Belastingdienst met het bijgetelde gebruikelijk loon van € 27.500 beneden de wettelijke grens van € 44.000 is gebleven, is het aan mevrouw om aannemelijk te maken dat een lager loon in dit geval gebruikelijk is. Daarin slaagt ze niet. Haar stelling dat sprake is van een beginnende vennootschap is daartoe onvoldoende. Er is geen sprake van een BV die structureel verlies lijdt en evenmin van werknemers die in eenzelfde positie als mevrouw verkeren maar een lager loon genieten.

Tip: Als er argumenten zijn om een lagere beloning vast te stellen dan het wettelijk fictief loon van € 46.000 (2020), kan het verstandig zijn deze tevoren met de Belastingdienst af te stemmen. Daarbij zijn we u graag van dienst.

Werknemer krijgt boete of dwangsom

Het komt voor dat uw werknemer een boete krijgt opgelegd ingevolge een strafbeschikking of een daarmee vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing. Het kan ook gaan om een bestuursrechtelijke dwangsom of een met die dwangsom vergelijkbare buitenlandse dwangsom. Soms wilt u als werkgever de boete of dwangsom betalen of vergoeden.

Als u deze geldsom aan de werknemer vergoedt of voor de werknemer betaalt, dan is deze vergoeding of betaling vanaf 2020 altijd loon van de werknemer. U kunt de vergoeding of betaling dus niet als eindheffingsloon aanwijzen.

Deze maatregel geldt voor strafbeschikkingen uitgevaardigd na 1 januari 2020 en dwangsommen die zijn verbeurd na 1 januari 2020.

Let op: Boetes en dwangsommen die de werkgever voor de werknemer betaalt of vergoedt, vallen  in de loonheffingen bij de werknemer zelf. Ze kunnen niet meer als lager belast eindheffingsloon worden aangewezen.

Denk aan de btw-deadlines bij onroerende zaken

Heeft u bij de koop of verkoop van een onroerende zaak ervoor gekozen om btw-belast te leveren? In dat geval moet de koper binnen vier weken na afloop van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin het pand aan hem/haar is geleverd, een schriftelijke verklaring uitreiken aan de verkoper en de Belastingdienst. Daaruit moet blijken dat de koper het pand ook feitelijk steeds voor 90% (soms 70%) of meer voor belaste prestaties heeft gebruikt. Bij een belaste levering in 2018 moet dat dus uiterlijk gebeuren vóór 29 januari 2020.

Bij belaste verhuur van een onroerende zaak moet de huurder die niet meer aan het 90%- (soms 70%-)criterium voldoet, dit melden bij de verhuurder en bij de Belastingdienst binnen vier weken na afloop van het jaar, dus ook uiterlijk vóór 29 januari 2020.

Doe tijdig opgave uitbetaalde bedragen aan derden

Heeft u in 2019 bedragen uitbetaald aan derden? Denk er dan aan dat u hiervan uiterlijk 31 januari 2020 opgave doet bij de Belastingdienst. Er wordt geen uitstel verleend. U moet de gegevens over de aan derden uitbetaalde bedragen (de zogenoemde IB 47-opgave) digitaal aanleveren bij de Belastingdienst via gegevensportaal.belastingdienst.nl. Dat kan via het Sjabloon Derden Uitbetaling (SDU-sjabloon) van de Belastingdienst of de software van de Belastingdienst met de ‘Invoerapplicatie voor opgaven derden uitbetaling (IDU)’. U kunt de gegevens ook aanleveren via de eigen software. In dat geval kunt u in de ‘Handleiding Opgaven uitbetaalde bedragen aan derden’ lezen waar het aan te leveren bestand aan moet voldoen.

Meer tijd voor aangeven eindheffing maar let op!

Vergoedt of verstrekt u meer dan het bedrag van uw vrije ruimte? Dan betaalt u over het meerdere 80% eindheffing. U hebt meer tijd gekregen om vast te stellen of u de vrije ruimte overschrijdt. Vanaf aangiftejaar 2020 hoeft u de eindheffing namelijk pas aan te geven bij de loonaangifte over het tweede loontijdvak van 2021, dus bij de aangifte over februari 2021, die u in maart 2021 doet. Maar let op: voor het aangiftejaar 2019 moet u de eindheffing dus nog wel uiterlijk aangeven in de loonaangifte over het eerste loontijdvak van 2020. Dat is dus de aangifte over januari, die u in februari doet.