Terugbetalingsregeling verder versoepeld

Volgens de terugbetalingsregeling moet u op 1 oktober 2022 beginnen met terugbetalen van de belastingschuld die u tijdens de coronacrisis tot 1 oktober 2021 hebt opgebouwd. U betaalt vervolgens uw belastingschuld terug in gelijke, maandelijkse termijnen, waarbij de uiterste betaaldatum is 1 oktober 2027. Daarnaast hebt u tot 1 oktober 2027 de tijd om de belastingschuld terug te betalen die u tussen 1 oktober 2021 en 31 januari 2022 zult opbouwen en waarvoor u het hiervoor besproken extra uitstel van betaling gaat krijgen. Kunt u echter op 1 oktober 2022 aantoonbaar niet beginnen met terugbetalen, dan mag u later beginnen met terugbetalen, maar op 1 oktober 2027 moet u wel de gehele belastingschuld hebben afgelost.

Tip

Zorg dat u gedurende de terugbetalingsregeling (tot uiterlijk 1 oktober 2027) steeds tijdig en juist aangifte doet. Ook moet u steeds tijdig en volledig voldoen aan de betalingsverplichtingen die daaruit voortvloeien. Als u niet meer aan deze verplichtingen voldoet, kan de Ontvanger van de Belastingdienst de terugbetalingsregeling weigeren of intrekken. U krijgt in dat geval nog wel eerst de kans om binnen 14 dagen alsnog aan uw verplichtingen te voldoen.

Soms toch nog uitstel van betaling tot 31 januari 2022

Op 1 oktober jl. eindigde de regeling voor uitstel van betaling van belastingen. Maar kampt u nog steeds met liquiditeitsproblemen door de coronacrisis, dan kunt u onder strikte voorwaarden toch nog uitstel van betaling krijgen tot 31 januari 2022. Het uitstel wordt in dat geval verleend voor belastingen die u moet betalen tussen 1 oktober 2021 en 31 januari 2022. U kunt hier schriftelijk (dus niet via de website van de Belastingdienst) om verzoeken tot en met 31 januari 2022. Dit kan dus met terugwerkende kracht. Een eventuele samenloop met andere uitstelvormen vormt geen belemmering voor het verlenen van dit aanvullende uitstel van betaling.

Tip

Kampt u nog steeds met betalingsproblemen door de coronacrisis, vraag uw adviseur om na te gaan of u voldoet aan de strikte voorwaarden en u gebruik kunt maken van het aanvullend uitstel van betaling.

Soms toch nog uitstel van betaling tot 31 januari 2022

Op 1 oktober jl. eindigde de regeling voor uitstel van betaling van belastingen. Maar kampt u nog steeds met liquiditeitsproblemen door de coronacrisis, dan kunt u onder strikte voorwaarden toch nog uitstel van betaling krijgen tot 31 januari 2022. Het uitstel wordt in dat geval verleend voor belastingen die u moet betalen tussen 1 oktober 2021 en 31 januari 2022. U kunt hier schriftelijk (dus niet via de website van de Belastingdienst) om verzoeken tot en met 31 januari 2022. Dit kan dus met terugwerkende kracht. Een eventuele samenloop met andere uitstelvormen vormt geen belemmering voor het verlenen van dit aanvullende uitstel van betaling.

Tip

Kampt u nog steeds met betalingsproblemen door de coronacrisis, vraag uw adviseur om na te gaan of u voldoet aan de strikte voorwaarden en u gebruik kunt maken van het aanvullend uitstel van betaling.

Eigen bijdrage bij aankoop arbovoorziening thuiswerkplek

In 2022 kunt u – als het Prinsjesdagvoorstel wordt aangenomen – een onbelaste thuiswerkvergoeding van € 2 per dag aan uw werknemers betalen voor hun thuiswerkkosten. Maar u kunt nu al gebruikmaken van de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen, bijvoorbeeld een ergonomische bureaustoel en een ergonomisch bureau. Op voorwaarde dat de arbovoorzieningen zijn gebaseerd op de verplichtingen die u heeft in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. In de Arbowet staat dat u geen bijdrage voor deze voorzieningen mag vragen aan uw werknemers. Toch kunt u deze gerichte vrijstelling toepassen als uw werknemer kiest voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en slechts een bijdrage uit zijn nettoloon betaalt voor de meerprijs. De Belastingdienst heeft dit bevestigd.

Tip

De gerichte vrijstelling is niet van toepassing als u de arbovoorziening volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon in een cafetariaregeling. De werknemer betaalt dan immers een eigen bijdrage voor de voorziening. Maar kiest uw werknemer voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en wordt slechts de meerprijs uitgeruild met het brutoloon, dan mag dat wel. U moet dan wel de vergoeding aanwijzen als eindheffingsloon en ten laste van uw vrije ruimte brengen. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is immers in dit geval niet van toepassing op de meerprijs.

Eigen bijdrage bij aankoop arbovoorziening thuiswerkplek

In 2022 kunt u – als het Prinsjesdagvoorstel wordt aangenomen – een onbelaste thuiswerkvergoeding van € 2 per dag aan uw werknemers betalen voor hun thuiswerkkosten. Maar u kunt nu al gebruikmaken van de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen, bijvoorbeeld een ergonomische bureaustoel en een ergonomisch bureau. Op voorwaarde dat de arbovoorzieningen zijn gebaseerd op de verplichtingen die u heeft in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. In de Arbowet staat dat u geen bijdrage voor deze voorzieningen mag vragen aan uw werknemers. Toch kunt u deze gerichte vrijstelling toepassen als uw werknemer kiest voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en slechts een bijdrage uit zijn nettoloon betaalt voor de meerprijs. De Belastingdienst heeft dit bevestigd.

Tip

De gerichte vrijstelling is niet van toepassing als u de arbovoorziening volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon in een cafetariaregeling. De werknemer betaalt dan immers een eigen bijdrage voor de voorziening. Maar kiest uw werknemer voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en wordt slechts de meerprijs uitgeruild met het brutoloon, dan mag dat wel. U moet dan wel de vergoeding aanwijzen als eindheffingsloon en ten laste van uw vrije ruimte brengen. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is immers in dit geval niet van toepassing op de meerprijs.

Einde btw-coronamaatregelen nadert

De btw-coronamaatregelen eindigen op 1 oktober 2021. Dat wil zeggen dat er dan een einde komt aan het btw-nultarief op mondkapjes, de btw-vrijstelling voor de uitleen van zorgpersoneel en het btw-nultarief op COVID-19 vaccins en -testkits. Vanaf 1 oktober a.s. geldt weer de reguliere btw-wetgeving voor deze goederen en diensten. Bij de inkoop zal u de btw-aftrek weer moeten bepalen op basis van gebruik voor belaste of vrijgestelde medische diensten. Ook zult u dan bij de verkoop weer het te hanteren btw-tarief moeten bepalen.

Tip

Zorg dat u uw administratie aanpast op deze terugkeer naar normaal.

Einde btw-coronamaatregelen nadert

De btw-coronamaatregelen eindigen op 1 oktober 2021. Dat wil zeggen dat er dan een einde komt aan het btw-nultarief op mondkapjes, de btw-vrijstelling voor de uitleen van zorgpersoneel en het btw-nultarief op COVID-19 vaccins en -testkits. Vanaf 1 oktober a.s. geldt weer de reguliere btw-wetgeving voor deze goederen en diensten. Bij de inkoop zal u de btw-aftrek weer moeten bepalen op basis van gebruik voor belaste of vrijgestelde medische diensten. Ook zult u dan bij de verkoop weer het te hanteren btw-tarief moeten bepalen.

Tip

Zorg dat u uw administratie aanpast op deze terugkeer naar normaal.

BV met veel verhuurd onroerend goed

Bezit uw BV verhuurd onroerend goed? Voor sommige fiscale faciliteiten geldt als voorwaarde dat de BV een zogenaamde materiële onderneming drijft. Denk aan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en de geruisloze terugkeerregeling. Een BV verhuurde 1100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten. Toch was volgens de Belastingdienst geen sprake van een materiële onderneming.

Na een beroepsprocedure kwam de hoogste rechter eraan te pas.

Hoofdregel
Een materiële onderneming kan worden omschreven als een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee wordt beoogd door deelname aan het maatschappelijke verkeer winst te behalen. Naar objectieve maatstaven moet worden getoetst of de verrichte werkzaamheden een materiële onderneming vormen. De exploitatie van onroerende zaken vormt een materiële onderneming als de aard en de omvang van de verrichte werkzaamheden meer omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is en de verrichte werkzaamheden ten doel hebben het behalen van voordelen die de bij normaal vermogensbeheer opkomende rendementen te boven gaan.

Bewijslast
De belastingplichtige, die een beroep doet op een fiscale faciliteit, heeft de zware bewijslast om aannemelijk te maken dat de BV een materiële onderneming drijft.

In dit geval slaagt de belastingplichtige daar niet in, ook al nemen de werkzaamheden gezien de hoeveelheid panden veel tijd in beslag. De organisatie en de werkzaamheden van de BV, waaronder het voeren van een actief huurdersbeleid, zijn volgens de rechter gebruikelijk voor beheerders van vastgoedbeleggingsportefeuilles met een vergelijkbare omvang.

Ook aan de zogenaamde ‘rendement-plus’-eis is niet voldaan. Het door de belastingplichtige aangevoerde gemiddelde jaarrendement omvat immers ook de autonome marktontwikkelingen, zodat het niet bruikbaar is als vergelijkingsmaatstaf. Bovendien heeft de belastingplichtige niet aannemelijk gemaakt of en in hoeverre het behaalde rendement kan worden gerelateerd aan meer dan gebruikelijke werkzaamheden.

Stelling belastingplichtige vergeten?
Voor de hoogste rechter voert de belastingplichtige aan dat de eerdere rechter niet is ingegaan op zijn stelling dat de BV regelmatig garageboxen koopt die zij, al dan niet na renovatie- en revitalisatiewerkzaamheden, voor een substantieel hogere prijs verhuurt dan de vorige eigenaar/verhuurder. Die werkzaamheden hebben daadwerkelijk geleid tot een rendementsverbetering die niet het gevolg is van autonome marktwerking.

Oordeel hoogste rechter
Volgens de hoogste rechter kan dit echter onderdeel zijn van normaal vermogensbeheer. Het gaat niet om een afzonderlijke beoordeling van bepaalde specifieke activiteiten. De vraag is of het totaal van de werkzaamheden naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel hebben het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. En die vraag had de eerdere rechter terecht negatief beantwoord.

Let op: De bedrijfsopvolgingsregeling kent een vrijstelling van minimaal ruim € 1.100.000. De regeling is alleen van toepassing bij overdracht of overgang van een zogenaamde materiële onderneming.  Aangekondigd is dat de regeling zal worden heroverwogen. Vraag tijdig advies over de mogelijkheden in uw situatie.

Vakantiegeld en overwerkbeloning

Een chauffeur claimt bij zijn ex-werkgever een bedrag van meer dan € 9.000 aan te weinig betaald loon tijdens vakantieverlof. Bij de berekening van vakantiegeld was de beloning voor structureel overwerk immers niet meegenomen. Volgens de ex-werkgever hoefde dat ook niet, omdat de chauffeur vrijwillig had aangegeven dat hij wilde overwerken. Hoe oordeelt de rechter?

Hoofdregel
De vergoeding voor overwerk maakt geen deel uit van het loon dat tijdens de vakantie moet worden doorbetaald, tenzij:

  1. de gemaakte overuren voortvloeien uit een verplichting op grond van de arbeidsovereenkomst,
  2. de werknemer op regelmatige basis overuren maakt, en
  3. de vergoeding van de overuren een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die de werknemer voor zijn beroepsactiviteit ontvangt.

Verplichting
Partijen zijn het erover eens dat op grond van de arbeidsovereenkomst, het personeelshandboek en de CAO overwerk niet verplicht was. Ook zijn partijen het erover eens dat er pas sprake was van overwerk als de werkzaamheden op weekbasis méér dan 40 uur bedroegen, dat iemand in beginsel niet hoefde over te werken als hij dat niet wilde, dat werknemers bij de werkgever konden aangeven of zij wel of niet wilden overwerken en dat de chauffeur had aangegeven dat hij wilde overwerken.

Toch vindt de rechter dat het door de chauffeur verrichte overwerk verplicht was, en dus niet vrijwillig. Volgens de werkgever hield de planner er rekening mee als een chauffeur wilde overwerken, want dan werd deze chauffeur voor meer uren dan 40 uur per week ingeroosterd. Doordat het werd ingeroosterd is het overwerk volgens de rechter opgedragen werk geworden, en dus wel degelijk verplicht. Dit overwerk ontstond immers gedurende de uitvoering van de werkzaamheden en werd direct aansluitend daaraan verricht. De chauffeur kon niet na het einde van zijn werktijd van 40 uur per week stoppen met zijn werkzaamheden en naar huis gaan, want dat zou inhouden dat hij zijn werkzaamheden niet afmaakte en er dus in feite sprake zou zijn van werkweigering. Gelet hierop was het willen verrichten van overwerk dus wel vrijwillig, maar is het overwerk verplicht geworden doordat het werd ingeroosterd en er geen mogelijkheid was om na de werkweek van 40 uur te stoppen met werken.

Regelmatige basis
Volgens de chauffeur werkte hij structureel, dus regelmatig over. Dit blijkt ook wel uit de overzichten van de werkgever, want in alle periodes van vier weken werd overwerk verricht. Het overwerk fluctueert weliswaar per periode en is geen één periode hetzelfde, maar het overwerk is bijna altijd meer dan 50 uur per periode en vaak tussen de 70 en 90 uur per periode. Zelfs in een periode dat vakantie werd opgenomen of sprake was van ziekte, is nog overwerk verricht, zodat er al met al sprake was van het maken van overuren op regelmatige basis.

Belangrijk onderdeel totale vergoeding
Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt dat de overwerkvergoeding een wezenlijk onderdeel van het salaris van de chauffeur was, zodat deze ook een belangrijk onderdeel vormde van de totale beloning.

Oordeel rechter
De conclusie is dat de vergoeding van gemaakte overuren deel uitmaakt van het loon waarop de chauffeur recht had voor opgenomen vakantieverlof.

Let op: Regelmatig overwerk waaraan de werknemer zich niet kan onttrekken omdat het is ingeroosterd en waarvoor de vergoeding een wezenlijk onderdeel is van zijn totale beloning, dient bij de bepaling van het vakantiegeld te worden meegenomen.

Rechter corrigeert afwijzing TVL

Een horecazaak schrijft zich op 6 december 2019 in bij de Kamer van Koophandel en start na toekenning van de vereiste vergunningen op 20 februari 2020. Een aanvraag Tegemoetkoming vaste Lasten (TVL) wordt afgewezen omdat het omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode tussen 6 december 2019 en 15 maart 2020 minder is dan 30%. De rechter corrigeert dit.

Voor de TVL-aanvraag moet de omzet worden bepaald in de periode na de dag van de start van de activiteiten tot en met 15 maart 2020 (gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met vier).

Wat is de datum van de start van de activiteiten? De datum van inschrijving bij de Kamer van Koophandel of de datum waarop de vereiste vergunningen binnen waren en de zaak open kon en mocht? Voor de deling door het aantal maanden maakt dit een flink verschil.

Oordeel rechter
Het College van beroep voor het Bedrijfsleven stelt vast dat in de TVL niet is omschreven wat onder ‘start van de activiteiten’ moet worden verstaan. Als een onderneming pas op een latere datum dan de datum van inschrijving in het handelsregister kan én mag starten, geldt die latere datum als start van de activiteiten. Daarbij is wel noodzakelijk dat het moment van de start aan de hand van objectief bepaalbare feiten en omstandigheden wordt bepaald. Daarom is van de start van de activiteiten in ieder geval sprake indien de aanvrager over alle noodzakelijke vergunningen beschikt en er geen evidente juridische belemmeringen zijn voor het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten.

In dit geval moet dus 17 februari 2020 aangemerkt worden als de startdatum. Het Ministerie van Economische zaken en Klimaat is ten onrechte is uitgegaan van 6 december 2019 tot en met 15 maart 2020 als referentieperiode. In plaats daarvan had het moeten uitgaan van de omzet in de referentieperiode van 17 februari 2020 tot en met 15 maart 2020.

Tip: In sommige gevallen kan de rechter achteraf de vrij grofmazige toetsing rond de steunmaatregelen corrigeren.