Afschaffing aandelen aan toonder per 1 juli 2019

De fysieke toonderstukken die aandeelhouders zelf bewaren, worden afgeschaft. Aandelen aan toonder kunnen alleen nog worden verhandeld via een effectenrekening op naam bij een intermediair, zoals een bank of een beleggingsonderneming. Zo is anonieme overdracht van toonderstukken niet meer mogelijk.

Opsporingsinstanties en toezichthouders kunnen straks bij intermediairs gegevens vorderen van de houders van effectenrekeningen voor de bestrijding van belastingontduiking, witwassen, de financiering van terrorisme of andere vormen van financieel-economische criminaliteit. Voor het openen van een effectenrekening is immers identificatie van de aandeelhouder vereist.

Aandelen aan toonder die nog niet giraal werden verhandeld, worden uiterlijk op 1 januari 2020 omgezet in aandelen op naam. Aandeelhouders die thuis nog dergelijke aandelen hebben, kunnen deze tot 1 januari 2021 inleveren bij de vennootschap en zich laten registreren als aandeelhouder. Tot dat moment kunnen ze de aan een toonderaandeel verbonden rechten niet uitoefenen. Het gaat daarbij om alle rechten, zoals stemrecht, dividendrecht en voorkeursrecht bij de uitgifte van nieuwe aandelen.

Let op: Hebt u thuis nog toonderaandelen, lever deze dan tijdig in bij de uitgevende vennootschap en laat u registreren als aandeelhouder. Zo behoudt u uw aandeelhoudersrechten.

Belasting op spaargeld schendt eigendomsrecht

De hoogste rechter heeft uitspraak gedaan over de manier waarop Nederland in 2013 en 2014 belasting berekende over spaargeld en andere risicomijdende beleggingen. Schending van eigendomsrecht is de officiële term. De term roept een associatie op met diefstal. Hoe luidt de uitspraak?

Een particulier gaf in zijn IB-aangifte een inkomen uit sparen en beleggen aan van € 2.987 (4% van € 74.675). Over 2014 had hij € 1.911 aan rente ontvangen. Daarover was hij € 896 (47%) aan box 3-heffing verschuldigd. Hij was van mening dat deze vermogensrendementsheffing op spaarsaldi, op het niveau van de regelgeving, naar haar aard in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Die heffing staat immers niet meer in een redelijke, proportionele verhouding tot het werkelijke rendement op spaarsaldi en het stelsel staat geen enkele vorm van tegenbewijs en geen verrekening met eerder geheven bedragen toe. Dit bezwaar is geselecteerd om als massaal bezwaar te worden uitgeprocedeerd.

De hoogste rechter geeft aan dat de Nederlandse wetgever bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier procent aansluiting heeft gezocht bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen.

Volgens de rechter kan het forfaitair heffen van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen echter voor een bepaald jaar op stelselniveau in strijd komen met artikel 1 EP indien komt vast te staan dat veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.

De hoogste rechter oordeelt dat voor de jaren 2013 en 2014 het veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar was voor belastingplichtigen zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen. Dan komt de vraag of dan ook sprake is van een buitensporig zware last. Daarvan is volgens de hoogste rechter sprake als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent.  Als dat het geval is, kan de rechter dat echter niet oplossen zonder op stelselniveau keuzes te maken. En die keuzes zijn aan de wetgever.

Let op: De rechter kan dus op stelselniveau niet ingrijpen. Dat is jammer voor de deelnemers aan de massaal bezwaarprocedures. Maar volgens de hoogste rechter kan de rechter wel oordelen over een individuele belastingplichtige die in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

Vraag subsidie praktijkleren tijdig aan

Wilt u een praktijk- of werkleerplaats aanbieden? Kijk dan of u gebruik kunt maken van de subsidieregeling Praktijkleren. De subsidie is een tegemoetkoming voor de kosten die een werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling, deelnemer of student. Maar het is ook een tegemoetkoming in de loon- of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio). Het maximale subsidiebedrag is € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats.

Tijdig aanvragen
Uw aanvraag dient u in na afloop van de begeleiding. Voor het school-, studiejaar 2018/2019 kunt u een aanvraag indienen van 2 juni 2019 09.00 uur tot en met 16 september 2019 tot uiterlijk 16.59 uur.

Administratie
Als werkgever dient u tijdens de begeleiding van een leerling, deelnemer of student de gevraagde administratie zelf bij te houden, te bewaren en op verzoek te verstrekken. RVO.nl controleert of de werkgever aan alle voorwaarden voldoet.

De werkgever van een vmbo-leerling, mbo-bbl-deelnemer of een hbo-student moet in de administratie de volgende stukken hebben:

  • een (praktijkleer)overeenkomst die door alle noodzakelijke partijen is getekend en waaruit onder andere blijkt hoe de begeleiding heeft plaatsgevonden en welk deel van de leerdoelen/kwaliteiten/kwalificaties in de beroepsvorming bij de werkgever zijn behaald;
  • een aanwezigheidsregistratie van de deelnemer bij de beroepspraktijkvorming. Dit kan bijvoorbeeld een uitdraai uit het digitaal tijdschrijfsysteem zijn, een presentielijst, of een geldig arbeidscontract samen met een verzuimregistratie, zolang deze de aanwezigheid van de deelnemer in voldoende mate aantoont. De aanwezigheidsuren op school gelden niet als bewijs;
  • een administratie waaruit blijkt dat begeleiding heeft plaatsgevonden (de voortgang van de beroepsvorming) en de wijze waarop het deel van de leerdoelen/kwaliteiten/kwalificaties met betrekking tot de beroepsvorming is behaald. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een (BPV-)werkboek van de deelnemer, gemaakte opdrachten in het kader van de opleiding of tussentijdse gespreks-, beoordelings- en evaluatieverslagen.

Ziekte of verzuim geen onderdeel begeleide weken
Alleen een week waarin daadwerkelijk begeleiding is gegeven telt mee, ongeacht het aantal dagen waarop begeleiding plaatsvond. Een week waarin om welke reden dan ook geen begeleiding heeft plaatsgevonden, (bijvoorbeeld door ziekte, verlof of vorstverlet) kunt u niet opvoeren in de aanvraag. Wanneer u deze weken wel meetelt als begeleide weken, kan dit leiden tot een korting in de uitbetaling of eventueel een terugvordering.

Geen standaardformaat
De RVO.nl legt geen voorschriften op over hoe u de administratie precies voert. Reden hiervoor is dat de regeling verschillende sectoren betreft en RVO.nl de werkgever niet wil verplichten om in een bepaald format te werken. Dit om de administratieve lasten beperkt te houden.

Bewaarplicht
De werkgever heeft een bewaarplicht van de relevante documenten gedurende 5 jaar na het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt.

Controle
Na verstrekking van de subsidie voert RVO.nl steekproefsgewijs controles uit om te zien of de noodzakelijke administratie aanwezig is. Ook controleert RVO.nl of de aangevraagde weken/maanden begeleiding is geboden. De bewijslast ligt bij de werkgever. Deze moet per deelnemer de administratie kunnen tonen, wanneer RVO.nl hierom vraagt. Indien blijkt dat niet aan de voorwaarden van de regeling is voldaan vordert RVO.nl de ten onrechte uitbetaalde subsidie terug.

Tip: Bekijk eerst de tips voor aanvragers.

Aandelen aan toonder per 1 juli afgeschaft voor niet-beursgenoteerde vennootschappen

De papieren aandelen aan toonder worden op 1 juli 2019 afgeschaft voor niet-beursgenoteerde vennootschappen. Dit moet misbruik van deze aandelen voorkomen. De aandelen aan toonder worden via een statutenwijziging omgezet in aandelen op naam. Doet de vennootschap dit niet, dan gebeurt dit van rechtswege op 1 januari 2020. Aandeelhouders van papieren aandelen aan toonder moeten deze inleveren bij de vennootschap. Dit kan tot 1 januari 2021. Doen zij dat niet, dan verliezen zij de rechten die zijn verbonden aan hun aandelen. Niet-ingeleverde aandelen komen automatisch in handen van de vennootschap.

Opfokken melkvee is ontwikkelen bedrijfsmiddel – btw-aftrek toegestaan

Het binnen het eigen bedrijf opfokken van jongvee moet worden aangemerkt als het ontwikkelen van een bedrijfsmiddel. De btw op de opfokkosten is aftrekbaar en kan worden herzien overeenkomstig haar bestemming. Ook melk producerende koeien zijn bedrijfsmiddelen. De btw-herzieningsregels zijn van toepassing. Dit is wat de Hoge Raad recent oordeelde in de zaak van een melkveehouderij die overging van de landbouwregeling op de normale btw-regels. Deze uitspraak is ook van belang in het kader van de afschaffing van de landbouwregeling per 1 januari 2018. U kon als landbouwer immers in 2018 in uw btw-aangifte in één keer de aftrek van voorbelasting herzien. Heeft u vorig jaar in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad het standpunt in te nemen dat de btw in de opfokkosten ook in aanmerking moet komen voor herziening? Dan heeft u nu van de Hoge Raad daarin gelijk gekregen.

 

Wel of geen oudedagsreserve opbouwen?

Met de vorming van de oudedagsreserve kan u de winst jaarlijks afromen, zonder dat u werkelijk een uitgave doet. Het is eigenlijk niet meer dan een papieren reserve in de vorm van een aftrekpost. U bouwt dus niet werkelijk een oudedagsvoorziening op. Maar als u uw onderneming staakt, wordt de oudedagsreserve wel bij uw winst geteld en moet u er alsnog belasting over betalen. U bent zich hiervan misschien niet altijd bewust. Heeft u de financiële mogelijkheden daartoe, dan doet u er verstandig aan om ook werkelijk liquide middelen opzij te zetten ter grootte van de jaarlijkse dotatie aan de oudedagsreserve.

Betaal vóór 1 juli 2019 de lijfrentepremie bij omzetting oudedagsreserve voor aftrek in 2018

Wil u uw oudedagsreserve omzetten in een lijfrente bij een bank of verzekeraar en de lijfrentepremie nog in uw IB-aangifte 2018 in aftrek brengen? Zorg er dan voor dat u de premie op tijd betaald. De lijfrentepremie is nog aftrekbaar in 2018, mits de premie uiterlijk wordt betaald vóór 1 juli 2019. Het is toegestaan om in het jaar van staking nog te doteren aan de oudedagsreserve. Dit bedrag moet u dan wel mede gebruiken voor een lijfrente. Ook aan de overige voorwaarden voor toevoeging aan de oudedagsreserve moet u hebben voldaan.

Wet arbeidsmarkt in balans en transitievergoeding

De Wet arbeidsmarkt in balans is door de Eerste Kamer en treedt op 1 januari 2020 in werking. Dat heeft flinke gevolgen voor de transitievergoeding. Zo krijgt in principe iedere werknemer bij ontslag recht op transitievergoeding. Ook bij een kortlopend contract. Er zijn meer wijzigingen. We geven een overzicht met rekenvoorbeelden.

Huidige regeling
De werkgever betaalt de transitievergoeding bij ontslag, behalve als de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd dan twee jaar of als de medewerker zelf vertrekt. De vergoeding wordt bepaald aan de hand van de volledig gewerkte halve jaren. De eerste 10 jaar tellen elk mee voor een derde van een bruto maandsalaris, elk volgend jaar telt voor de helft van een bruto maandsalaris.

Nieuwe regeling
Straks heeft in principe iedere medewerker bij ontslag recht op een transitievergoeding, ook oproepkrachten of werknemers die in de proeftijd worden opgezegd. De tweejaarstermijn vervalt immers. Ook de berekeningswijze verandert. De vergoeding wordt berekend op basis van de dagen die de arbeidsovereenkomst heeft geduurd. Daarbij tellen alle jaren voor een derde bruto maandsalaris. De opslag voor dienstjaren boven tien 10 jaar vervalt.

Voorbeeld 1
Pieter werkt 7 jaar en 4 maanden bij zijn werkgever als hij wordt ontslagen. Hij verdient bruto € 3.600 per maand. Nu ontvangt hij  € 8.400. Hij werkt immers zeven volledige jaren en ontvangt per jaar een derde van zijn bruto maandsalaris. Straks ontvangt hij € 400 meer omdat ook de laatste vier maanden meetellen.

Voorbeeld 2
Francien werkt 12 jaar bij haar werkgever als ze wordt ontslagen. Ze verdient bruto € 3.000 per maand. Nu ontvangt ze € 13.000. Ze werkt immers 12 volledige jaren en ontvangt dus 10 maal een derde en 2 maal een half maandsalaris. Straks ontvangt ze slechts € 12.000, 12 maal een derde maandsalaris.

Tip: Aan de hand van de rekenvoorbeelden kunt u snel de transitievergoeding bij ontslag na 1 januari 2020 berekenen. Een ontslag heeft uiteraard meer financiële gevolgen. Desgewenst brengen we die graag voor u in kaart.

Wet arbeidsmarkt in balans aangenomen

De Eerste Kamer heeft de Wet arbeidsmarkt in balans aangenomen. Dat betekent dat deze wet op 1 januari aanstaande in werking treedt. Dan mag een werkgever drie tijdelijke contracten aanbieden over een periode van maximaal drie jaar, in plaats van nu twee jaar. Bij het vierde contract of bij overschrijding van de drie jaar ontstaat automatisch een contract voor onbepaalde tijd. Wat zijn andere belangrijke wijzigingen?

Ontslag wordt soms eenvoudiger
Aan de gronden voor ontslag wordt de zogenaamde cumulatiegrond toegevoegd. Deze is bedoeld voor een samenloop van redenen voor ontslag die op zichzelf als grond onvoldoende zouden zijn of onvoldoende onderbouwd zijn in het ontslagdossier. Straks kan zo’n combinatie van factoren tot de conclusie leiden dat de werkgever het dienstverband mag verbreken.

Ontslag wordt dan wel duurder
De rechter kan bij een beroep op de cumulatiegrond de werknemer naast de transitievergoeding een extra vergoeding toekennen van maximaal 50% van de transitievergoeding.

Oproepkrachten beter beschermd
De werkgever moet elke oproepkracht na twaalf maanden een aanbod doen om een vast aantal uren te komen werken. Dat vaste aantal uren wordt bepaald door het gemiddelde aantal uren dat de oproepkracht in die twaalf maanden heeft gewerkt. Als de werkgever dit aanbod niet doet, kan de oproepkracht het loon claimen dat hoort bij het vaste aantal uren dat de werkgever had moeten aanbieden. Ook moeten oproepkrachten straks minimaal vier dagen van tevoren schriftelijk worden opgeroepen.

Payrollwerknemers beter af
Voor payrollwerknemers gelden ingaande 2020 de gewone ontslagregels en dezelfde arbeidsvoorwaarden als die van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn van de inlenende werkgever.

Tip: Werkt u met tijdelijke contracten en/of met oproepkrachten. Maak dan tijdig een inventarisatie. De nieuwe ketenregeling voor tijdelijke contracten gaat namelijk gelden voor alle tijdelijke contracten die eindigen op of na 1 januari 2020. Als een oproepkracht op 1 januari 2020 al twaalf maanden of langer voor u werkzaam is, moet u voor 1 februari 2020 een aanbod doen voor een vast aantal uren.

Vergoeding meewerkende partner niet aftrekbaar

Een ondernemer met een eenmanszaak redigeert manuscripten van boeken. Zijn vrouw helpt hem een aantal uren per week. Daarvoor betaalt de ondernemer haar een vast bedrag van € 1.500 per jaar. De Belastingdienst weigert aftrek van deze vergoeding.

Volgens de ondernemer gaat het om een vrijwilligersvergoeding zoals bedoeld in de Wet op de Loonbelasting. De Belastingdienst stelt dat de aftrek van een vergoeding lager dan € 5.000 aan de meewerkende partner op basis van de Wet op de Inkomstenbelasting niet aftrekbaar is van de winst.

De rechtbank geeft de Belastingdienst gelijk en overweegt dat daarbij niet van belang is of de vergoeding een vrijwilligersvergoeding is. Dat kan hoogstens relevant zijn voor de belastingheffing bij de partner.

Let op: De fiscale wetgeving bevat diverse mogelijkheden voor een fiscaal gunstige beloning van de meewerkende partner. We geven u graag advies.