Vennoot in VOF of loondienst?

Na 22 jaar in vaste dienst te hebben gewerkt voor een postbedrijf, treedt een postbezorger uit dienst en gaat hij via een uitzendbedrijf voor dat postbedrijf werken. Even later treedt hij toe tot een VOF van waaruit hij de werkzaamheden blijft verrichten. Dat doet hij met een leaseauto van de VOF. Hij krijgt maandelijks een vast voorschot uit de VOF. De inkomsten uit de VOF geeft hij aan als winst uit onderneming. De Belastingdienst bestrijdt dat.

De rechter stelt de Belastingdienst in het gelijk. Waarom? De onderneming van de VOF wordt feitelijk gedreven door een andere vennoot. Alleen deze vennoot is volgens het VOF-contract bevoegd om voor de VOF te handelen en samenwerkingsverbanden met derden aan te gaan. Hij is degene die met de opdrachtgevers vervoersovereenkomsten met prijsafspraken sluit. Het postbedrijf schrijft uitsluitend aan deze vennoot voor hoe de post bezorgd moet worden en bovendien dat hij de andere vennoten moet controleren. De conclusie luidt dat de postbezorger in dienst is van de andere vennoot en dat hij loon geniet in plaats van winst uit onderneming.

Tip: In de rechtspraak zien we ook VOF-constructies waarbij wel degelijk sprake is van ondernemerschap en zelfstandigheid. Het gaat om details in de juridische en feitelijke invulling.

Let op beperkte terugvraagtermijn btw op zonnepanelen

Heeft u zonnepanelen aangeschaft? In dat geval kunt u de btw op de aanschafprijs van de panelen en op de installatiekosten terugvragen bij de Belastingdienst. Voor 1 januari 2019 gold hiervoor geen uiterste termijn. Daarin is verandering gekomen. De teruggaaf moet u sindsdien aanvragen binnen zes maanden na afloop van het jaar waarin u de panelen heeft aangeschaft. Heeft u de panelen vóór 2019 gekocht, dan kunt u in elk geval de btw nog tot 1 juli 2019 terugvragen, ongeacht het jaar waarin de zonnepanelen zijn aangeschaft.

Betaal voor 1 juli 2019 stakingslijfrentepremie voor aftrek in 2018

Heeft u uw onderneming in 2018 gestaakt en wil u in dat jaar de stakingslijfrentepremieaftrek claimen? Zorg er dan voor dat u de premie op tijd betaalt. ‘Op tijd’ wil hier zeggen dat u de lijfrentepremie uiterlijk vóór 1 juli 2019 heeft betaald. U mag de stakingslijfrentepremie dan in mindering brengen op het inkomen in het stakingsjaar. De aftrek is wel gemaximeerd. De hoogte hangt onder meer af van de uw leeftijd op het stakingsmoment en de mate van eventuele arbeidsongeschiktheid. Ook is van belang de ingangsdatum van de lijfrente-uitkeringen en of de staking het gevolg is van uw overlijden.

Aanvraagtermijn subsidieregeling praktijkleren start 2 juni a.s.

Werden er het afgelopen schooljaar leerlingen/studenten begeleid binnen uw bedrijf? Dan komt u waarschijnlijk in aanmerking voor de subsidie in het kader van de ‘Subsidieregeling praktijkleren’. Met deze regeling ontvangt u na de stageperiode maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijkleer- of werkleerplaats. Er zijn wel voorwaarden aan verbonden en u moet de aanvraag tijdig indienen. De indieningsronde voor het studiejaar 2018/2019 start op 2 juni a.s. en loopt tot en met 16 september 2019. U dient de aanvraag digitaal in via het eLoket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl). U ontvangt uiterlijk medio december 2019 bericht of de subsidie wordt toegewezen. Zo ja, dan staat de subsidie binnen 2 weken op uw bankrekening.

Start aanmelding nieuwe kleineondernemersregeling (KOR)

U kunt zich vanaf 1 juni 2019 aanmelden voor de nieuwe kleineondernemersregeling (KOR). De nieuwe KOR is vanaf 1 januari 2020 een facultatieve vrijstelling, waarbij het recht op btw-aftrek vervalt. U kunt kiezen voor deze btw-vrijstelling en ontheffing van administratieve verplichtingen als uw omzet in Nederland minder dan € 20.000 bedraagt. De keuze geldt voor een periode van minimaal 3 jaar. Kiest u voor de nieuwe KOR en verricht u btw-belaste prestaties? In dat geval kunt u met herzienings-btw te maken krijgen. Voert u uw onderneming uit in een rechtspersoon en voldoet u aan de voorwaarden, dan kunt u ook gebruikmaken van de nieuwe KOR. Het is verstandig om u bij het maken van uw keuze te laten begeleiden door een btw-adviseur.

Auto blijft zakelijk, geen boekverlies

Een ondernemer met een eenmanszaak koopt in mei een Audi S8 Quattro, die hij zowel zakelijk als privé gebruikt. Hij merkt de auto fiscaal als ondernemingsvermogen aan. Omdat hij de auto alleen nog privé gebruikt, brengt hij deze in december over naar zijn privévermogen, met een boekverlies van ruim € 17.000. In maart ruilt hij de auto in. De Belastingdienst corrigeert de aftrek van het boekverlies.

Overbrengen van ondernemingsvermogen naar privé gaat niet zomaar. De ondernemer moet aannemelijk maken dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid, in dit geval een zodanige wijziging in gebruik, dat de auto niet langer tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend maar moet worden overgebracht naar het privévermogen. Daarin slaagt de ondernemer niet. Er is geen rittenadministratie of ander hard bewijs van een wijziging in het feitelijke gebruik van de auto. De auto kan volgens de rechter ook na december nog zakelijk zijn gebruikt.

De rechter komt tot de conclusie dat de auto tot het moment van inruil tot het ondernemingsvermogen is blijven behoren. De Belastingdienst heeft het boekverlies terecht gecorrigeerd. Bovendien moet de bijtelling privégebruik auto worden toegepast.

Tip: Gebruikt u als ondernemer nieuw aangeschafte zaken zowel zakelijk als privé, dan is sprake van keuzevermogen. Staat uw keuze eenmaal vast, dan kunt u deze alleen herzien wegens bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een ingrijpende functiewijziging. Het is dan aan u om die wijziging aannemelijk te maken.

Kassamedewerkster scant eigen voordeelpas: ontslag volgt

Een kassamedewerkster bij een landelijke bouwmarktketen scant haar eigen voordeelpas als klanten geen voordeelpas aanbieden. Zo spaart ze voordeelcoupons waarmee ze met korting producten van de bouwmarkt koopt. Eind januari deelt ze haar leidinggevende mee dat ze zwanger is. Binnen twee weken ontslaat de bouwmarkt haar op staande voet wegens fraude en/of diefstal.

De rechter vindt dat het gedrag van de medewerkster inderdaad een dringende reden oplevert om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.

In het huishoudelijk reglement is bepaald dat de kaart strikt persoonlijk is en uitsluitend dient te worden gebruikt tijdens een aankoop van de pashouder. Bovendien gebruikt de bouwmarkt de gegevens die uit het scannen van de klantenpassen worden verkregen voor commerciële doeleinden. Deze gegevens worden onbetrouwbaar door de handelwijze van de medewerkster.

Haar stelling dat ze het deed om het beoogde percentage gescande klantenpassen te halen, kan ze niet hard maken. Bovendien verklaart die stelling niet waarom ze vervolgens de op deze wijze verkregen voordeelcoupons heeft gebruikt.

Doordat de werkneemster bewust voordeelcoupons heeft gebruikt die niet aan haar toekwamen heeft zij haar werkgever benadeeld, hetgeen als fraude valt te bestempelen. De werkgever voert, zoals expliciet blijkt uit het huishoudelijk reglement, ter zake van fraude een zero-tolerance beleid: ‘Bij diefstal en/of fraude door de werknemer volgt onherroepelijk ontslag op staande voet’. De rechter stelt vast dat de werkneemster op de hoogte was van dit beleid.

De rechter gaat niet mee in de stelling van de medewerkster dat de bouwmarkt na haar mededeling dat zij zwanger was, heeft gezocht naar een reden om haar te ontslaan. Vast staat dat ze heeft gefraudeerd, ook al was het voor een klein bedrag. De medewerkster is zwanger en heeft nu wellicht inderdaad minder kansen op de arbeidsmarkt, maar dat belang weegt niet op tegen het belang van de bouwmarkt om iedere vorm van fraude tegen te gaan door middel van het zero-tolerance beleid.

Tip: Ook fraude voor een klein bedrag kan een dringende reden voor ontslag opleveren, mits er een gerechtvaardigd en duidelijk zero-tolerance beleid is.

Europees Hof verplicht werkgevers tot prikklok

Een zaak die een Spaanse vakbond aanspande tegen de Deutsche Bank krijgt gevolgen in de hele EU. Alle lidstaten moeten regelgeving hebben of invoeren die werkgevers verplicht tot invoering van een systeem waarmee de werkelijk bestede dagelijkse arbeidstijd van iedere werknemer wordt geregistreerd. Wat zijn de overwegingen?

Het Europese Hof wijst om te beginnen op het fundamentele recht van iedere werknemer op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden.

De EU-lidstaten moeten ervoor zorgen dat werknemers daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze rechten. De werknemer is de zwakkere partij binnen de arbeidsverhouding, zodat moet worden voorkomen dat de werkgever de rechten van de werknemer beperkt of uitholt.

Zonder een verplicht systeem waarmee de dagelijkse arbeidstijd van iedere werknemer wordt geregistreerd, kan niet objectief en betrouwbaar worden vastgesteld hoeveel uren de werknemer heeft gewerkt, op welke tijdstippen en hoeveel overuren zijn gemaakt. Het is dan voor werknemers buitengewoon moeilijk en in de praktijk haast onmogelijk om hun rechten af te dwingen.

Zonder de objectieve en betrouwbare vaststelling van het per dag en per week gewerkte aantal uren kan namelijk niet worden nagegaan of de maximale wekelijkse arbeidstijd, die inclusief overwerk is, en de dagelijkse en de wekelijkse minimumrusttijd in acht zijn genomen.

Een systeem waarmee de arbeidstijd wordt geregistreerd, is een uiterst geschikt middel voor werknemers om snel objectieve en betrouwbare gegevens te verkrijgen over het precieze aantal gewerkte uren. Het vergemakkelijkt dus zowel de bewijsvoering door werknemers in het geval van een schending van hun rechten als het toezicht door bestuurlijke en rechterlijke instanties op de daadwerkelijke toepassing van die rechten.

Let op: Om de doeltreffendheid te waarborgen van de in de arbeidstijdenrichtlijn en het Europese Handvest opgenomen rechten, moeten de EU-lidstaten aan werkgevers de verplichting opleggen om een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem in te voeren waarmee de dagelijkse arbeidstijd van iedere werknemer wordt geregistreerd. De EU-lidstaten moeten hier concrete regelgeving voor uitwerken en hierbij rekening houden met het specifieke karakter van alle betrokken branches en met de specifieke kenmerken van bepaalde ondernemingen, zoals hun omvang.

Verlies op geldlening aan zakenpartner

Een ondernemer maakt vanuit zijn eenmanszaak educatieve games voor onderwijsinstellingen. Een zakenpartner ontwikkelt vanuit een BV entertainment games. Ze gaan in de BV samen een afdeling opzetten die serious en applied games gaat maken voor zorg en onderwijs. Daartoe leent de ondernemer aan de BV van de zakenpartner een bedrag van ruim € 380.000. De BV kan de schuld niet terugbetalen.

De vraag is nu of het verlies op de lening een aftrekbaar ondernemingsverlies is. Daaraan vooraf gaat de vraag of de verstrekte lening tot het ondernemingsvermogen behoort. Beslissend is of de ondernemer de lening heeft verstrekt binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening.

Volgens de rechter is dat niet het geval. De activiteiten van de BV houden geen verband met de eigen ondernemingsactiviteiten. De BV ontwikkelt immers entertainment games, terwijl de ondernemer zich bezighoudt met educatieve games. De beoogde samenwerking bestaat uitsluitend uit het lenen van geld.

Dit betekent dat de ondernemer de lening fiscaal gezien als privébelegging heeft verstrekt. Daarbij is niet relevant dat de geleende gelden vanaf de zakelijke bankrekening zijn overgeboekt. Het verlies op de lening is niet aftrekbaar.

Tip: Leent u, als inkomstenbelasting-ondernemer, geld uit aan een zakenrelatie, bijvoorbeeld met het oog op een mogelijke samenwerking, dan vormt die lening geen ondernemingsvermogen. Het is in principe een bedrijfsvreemde activiteit die vanuit privé plaatsvindt. Goed advies over de juridische vormgeving van de eventuele samenwerking kan u fiscaal voordeel opleveren.

Uw oproepkrachten krijgen meer rechten!

Nu de inwerkingtreding van de ‘Wet arbeidsmarkt in balans’ op 1 januari 2020 een feit is, zult u dit jaar in actie moeten komen als u gebruik maakt van oproepkrachten. Zij krijgen volgend jaar namelijk meer rechten. Als een contract 12 maanden heeft geduurd moet u de werknemer een aanbod doen voor een vast aantal uren gebaseerd op het gemiddelde van de afgelopen 12 maanden. U bent gehouden om dit binnen 1 maand na afloop van deze periode te doen. Voor werknemers die in 2019 al aan dit vereiste voldoen, kent de nieuwe regeling 1 maand uitstel. Concreet betekent dit dat u aan deze groep werknemers tenminste op 1 februari 2020 een aanbod moet doen. Kortom, het aantal uren in 2019 is hiervoor dan bepalend. Als u werkt met tijdelijke contracten, is dit uiteraard een moment om dan of nu al in 2019 te beslissen of u nog wel de arbeidsovereenkomst wilt verlengen.